?

Log in

No account? Create an account

Previous Entry | Next Entry

Brief aan Minister President Rutte

Brief aan Minister President Rutte

van de Samenwerkende Armeense Organisaties (SAO)
“De kwestie” moet van tafel



Den Haag, 17 april 2018 – Vandaag wordt onderstaande brief aan Minister President Rutte aangeboden bij het Ministerie van Algemene Zaken tijdens een demonstratie op het Plein in Den Haag, om 12.30 uur, georganiseerd door de Samenwerkende Armeense Organisaties. Tijdens de demonstratie zullen verschillende Kamerleden en anderen een toespraak houden.

“De kwestie van de Armeense Genocide” moet van tafel, Nederland dient, zoals andere landen, te spreken van de Armeense genocide, waarover internationale wetenschappelijke consensus is. Armeniërs, maar ook veel Nederlanders vinden dat de regering door van een kwestie te spreken, uitsluitend rekening houdt met Turkije, het land dat de genocide ontkent en waar deze heeft plaatsgevonden , in plaats van rekening te houden met de gevoelens van de Armeniërs.

In de brief worden de drogredenen van de regering om aan “kwestie” vast te houden één voor één van tafel geveegd.

**********

Zeer geachte heer Rutte,

Komende week zal voor het eerst een Nederlandse bewindspersoon de herdenking van de Armeense Genocide in Jerevan bijwonen, zoals door de vrijwel unanieme Tweede Kamer bij motie van de heer Voordewind is gevraagd. Dit zien wij graag als een stapje vooruit in de richting van volledige erkenning van deze genocide, waarvan ook andere Christelijke minderheden slachtoffer werden, door de regering. Deze brief van de Samenwerkende Armeense Organisaties beoogt u van de wenselijkheid en noodzaak te overtuigen deze erkenning thans snel te doen plaatsvinden, in navolging van de democratisch genomen en expliciete uitspraken terzake van de Tweede Kamer.

Vooraf zij gemeld, dat wij het betreuren dat wij deze brief niet persoonlijk aan u kunnen overhandigen, zodat u onze problemen direct uit onze mond kunt horen. We hopen dat dit alsnog mogelijk wordt. Decennia lang hebben we jaarlijks een petitie aan de Tweede Kamer aangeboden en brieven verstuurd aan de relevante ministeries. Langs democratische weg hebben we vreedzaam gedemonstreerd. Jaarlijks vinden herdenkingen plaats, zoals sinds 2001 de herdenking van de Samenwerkende Armeense Organisaties plaats bij het eerste genocide monument in Nederland, op de begraafplaats in Assen. Tal van politici, wetenschappers, bekende Nederlanders hebben daar gesproken en vormen een veelzijdig Comité van Aanbeveling. Jaarlijks zijn bewindspersonen hierbij uitgenodigd, nooit is een bewindspersoon verschenen. Wij verheugen ons enerzijds in grote steun van publiek en media in ons pleidooi voor erkenning en de (hernieuwde) erkenning door de Tweede Kamer, anderzijds hebben wij nu het Regeerakkoord en de kabinetsreactie over het advies inzake het gebruik van de term “genocide” tegenover ons. Ons rest, om ons probleem met het woord “kwestie” naar voren te brengen, niet anders dan ons tot u te wenden. Met alle aandacht en nadruk die er is voor de Turkse kant, willen ook van onze kant ons “gehoord” voelen door de regering. Dat is nu niet het geval.

U begrijpt hieruit dat voor ons de omgang door Nederland met de Armeense genocide, het verleden van de voorouders van velen van ons, zeer gevoelig ligt. Het hardnekkig handhaven van de formulering “kwestie van de Armeense genocide” door de Nederlandse regering past slecht bij de claim van Nederland het land te zijn van internationaal recht en vrede en het motto van het Nederlands lidmaatschap van de Veiligheidsraad “gerechtigheid”. De toepassing van die term is in de loop van de jaren een eigen leven gaan leiden, en dermate ontspoord dat het tot onjuiste, onzinnige, onzorgvuldige en daarmee zeer ongewenste en voor Armeniërs ook pijnlijke gevolgen heeft geleid. Het is hoog tijd dit te beëindigen, aangezien door die formulering gebruik, telkens weer de Turkse ontkenners worden beloond.

Hierna wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan (a) herkomst van de term “kwestie”, (b) de politieke betekenis ervan, nl. kwestie zeggen = ontkenners belonen, (c) de huidige kabinetslijn, (d) ongewenste gevolgen van niet-erkenning en (e) (meer) redenen om tot erkenning te besluiten.

(a) Herkomst van de term “de kwestie”
De motie Rouvoet van 2004 vroeg om de erkenning van de Armeense genocide voortdurend en nadrukkelijk aan de orde te stellen. Het woord “kwestie” is zoals u bekend, en slechts indirect uit de Kamerstukken kon worden afgeleid, destijds gezien als behulpzaam om met Turkije tot een succesvoller bespreking te kunnen komen. Voormalig minister Bot sprak in de Tweede Kamer overigens veelal van “de Armeense genocide” (zonder kwestie). Vrij recent is het woord “kwestie” in TV-interviews nog eens in voornoemde zin verklaard door de woordvoerders van regeringspartijen. In tegenstelling tot wat wordt beweerd, heeft de indiener van de motie overigens nooit ingestemd met deze impliciete “aanpassing” van zijn motie. Taalkundig (bevestigd door taalkundige Wim Daniels) kan de gewraakte formulering niets anders beteken dan: er is een Armeense genocide, daarover is een kwestie, die kwestie is de Turkse ontkenning. Was het doel van de term derhalve oorspronkelijk om richting Turkije het onderwerp aan te duiden, dan zou dat uiteraard ook alleen als zodanig gebruikt dienen te worden. Derhalve bijv. “we gaan met Turkije de kwestie van de Armeense genocide bespreken”, maar “we gaan in Armenië de Armeense genocide herdenken”. En niet “de uitnodiging van president Sargsyan voor de herdenking van de kwestie van de Armeense genocide”, zoals we in antwoordbrieven van het Ministerie van BuiZa moesten lezen. Ook wordt gesproken over “de erkenning van de kwestie van de Armeense genocide” en over “de gebeurtenissen in 1915-16 ten tijde van de kwestie van de Armeense genocide”.

Conclusie: Deze wan-formuleringen met “kwestie” zijn onjuist, onzorgvuldig en tonen aan dat de formulering niet houdbaar is.

(b) Kwestie zeggen is ontkenners belonen
Immers: zolang het land van daders blijft ontkennen, is het een “kwestie” en kunnen we een genocide blijkbaar niet benoemen, alle bewijs, onderzoek en internationale wetenschappelijke consensus ten spijt. Deze achterliggende gedachte bleek bijv. heel helder uit het antwoord op een Kamervraag in de schriftelijk vragenronde begin dit jaar over het kabinetsstandpunt over het gebruik van de term “genocide”. Op de vraag of er voldoende betrouwbaar feitenonderzoek beschikbaar is om tot een oordeel te komen, luidt het antwoord “dat er over de feiten van de gebeurtenissen van 1915 en 1916 nog geen overeenstemming is tussen Armeense en Turkse historici”. Dit wringt eerstens omdat hiermee aan de zwaar bekritiseerde opvatting van een aantal Turkse historici, die Turkije willen of moeten steunen in de ontkenning en propaganda voeren voor de “alternatieve geschiedenis”, een (gelijk) gewicht wordt toegekend als aan de opvattingen van Armeense historici, die samenwerken met de internationale wereld van genocide wetenschappers. Ten tweede wordt met dit antwoord groot onrecht gedaan aan de juist zo belangrijke rol die beroemde Turkse historici als Taner Akcam vervuld hebben en nog vervullen in de waarheidsvinding rond de Armeense genocide, incl. de zoektocht en vondst van de originele bewijzen, opdrachten bij telegram om zoveel mogelijk Armeniërs uit te roeien.

Waar er internationaal, en ook in Nederland onder wetenschappers consensus is mede door die enorme hoeveelheid gedaan onderzoek over de genocide, zoals ook door voormalig Minister Koenders in een debat in 2015 is toegegeven, kan en mag men zich voor de beoordeling niet afhankelijk maken van Turkije met zijn ontkenningbeleid. Dat is een slecht voorbeeld voor andere landen: zolang je zelf ontkent, bestaat het niet, blijft er straffeloosheid. Beseft dient te worden, dat met ontkenning, de laatste fase van het fenomeen genocide, de genocide nog altijd voortduurt. Turkije, dat jaarlijks nog altijd miljoenen spendeert om de eigen nep-geschiedenis te verspreiden en dissidenten te bedreigen en vervolgen, heeft voorts al die jaren, ondanks het woord kwestie, geen enkel signaal afgegeven, dat een zinvol gesprek over de echte geschiedenis mogelijk is. Nog altijd zijn “de 10 uitgangspunten voor diplomaten” voor de beantwoording van lastige vragen over de Armeense genocide heilig, waarvan een aantal statements door Nederland jarenlang veelvuldig zijn overgenomen. Uw uitlatingen op 16 februari, dat Armenië en Turkije gezamenlijk tot een positiebepaling moeten komen over de feiten in hun gezamenlijke geschiedenis” zijn hier ook een voorbeeld van. Genocide is geen zaak van twee landen, maar van de hele wereld; ook wordt over het hoofd gezien dat de Republiek Armenië destijds niet bestond, en meer dan tweederde van de Armeniërs in de diaspora woont, een voortvloeisel van de genocide. Zij zijn niet per definitie vertegenwoordigd door de Republiek Armenië.

Conclusie: Zo er destijds al reden was om de motie aldus uit te voeren, zal geen redelijk denkend mens op dit moment nog mogelijkheden en nut van überhaupt een gesprek met Turkije, en zeker niet over dit onderwerp kunnen volhouden, waarmee de bedoeling van de regering met de toevoeging “kwestie” vervalt en overblijft datgene, wat op Nederlandse universiteiten wordt onderwezen als de Armeense Genocide. Het handhaven van “kwestie” is een onverdiende beloning voor de Turkse ontkenners, en slechts gericht op Turkse consumptie, waarmee men geen rekening houdt met de slachtoffers en hun nakomelingen.

(c) Huidige kabinetslijn
Een verdedigingslijn als minister Kaag in het debat aanvoerde dat het kabinet de kameruitspraak niet zou volgen omdat dat “op dit moment nog niet bijdraagt aan een oplossing, noch aan de noodzakelijke acceptatie en verwerking van het verleden door beide landen” is onbegrijpelijk. Zoals alom bekend, kan slechts via erkenning de eerste stap gezet worden naar verwerking en acceptatie, waarna dan wellicht toenadering mogelijk is die uiteindelijk naar verzoening kan leiden. In Armenië zijn alle feiten van de genocide en het internationale onderzoek bespreekbaar; in Turkije is dat niet het geval, en niet valt in te zien waarom er op beweging van die kant moet worden gewacht.

In de bejegening dient nu eerst en vooral recht gedaan te worden aan de slachtoffers, niet aan het land van daders/ontkenners.

Regelrecht absurd is het inmiddels geworden dat bij gebrek aan andere argumenten alsnog onwerkelijke, anachronische criteria aan de benoeming van de Armeense genocide worden gesteld, zoals een uitspraak van de Veiligheidsraad van de VN of een uitspraak van een internationaal gerechts- of strafhof, waar al deze instanties ten tijde van de genocide nog niet bestonden en ook volgens Minister Kaag niet te verwachten is dat deze uitspraken er ooit zullen komen. Naast onzinnig en kwalijk, vormen de criteria ook een foutieve toepassing van het kabinetsstandpunt over gebruik van de term “genocide”, dat zich immers nadrukkelijk beperkt tot recente, huidige gebeurtenissen. Sterker nog werd door regering met het noemen van de noodzaak van een rechterlijke uitspraak, als criterium voor het benoemen van een genocide regelrecht en zonder enige motivering afgeweken van het kernpunt van het advies, nl: “De stelling dat alleen de rechter kan oordelen dat in juridische zin sprake is van genocide dient te worden genuanceerd” (zie punt 1 samenvatting). Dit rechterlijk criterium, overigens evenmin als dat van dat van de Veiligheidsraaduitspraak, komt in het advies dan ook niet voor bij de criteria voor benoeming van genocide.

Conclusie: de huidige kabinetslijn stoelt op geen enkele zinnige grondslag

(d) Ongewenste gevolgen van niet-erkenning
– Voor de democratie – Het niet volgen van een herhaald en helder besluit van het hoogste staatrechtelijk orgaan, blijft – hoewel zoals gebleken is niet onmogelijk – een slechte dienst bewijzen aan de democratie. Het gebrek aan burgerrechten en democratie in Turkije, leidt er in feite toe dat ook Nederland minder democratisch wordt; Dit is ongewenst.

– Voor de integratie – Wij hebben de indruk dat de regering zich niet bewust is van de desastreuze uitwerking die de opstelling van de regering heeft voor de integratie van Turken in Nederland. Zoals eerder en ook na de recente stemming in de Tweede Kamer opnieuw duidelijk werd, wordt het van de kant van de Turkse machtshebbers en hun volgelingen niet op prijs gesteld als Turkse Nederlanders “normaal” met de geschiedenis omgaan door te benoemen wat heeft plaatsgevonden. De verontwaardiging van de kant van de regering over dergelijke, ook nog recente acties kan als enigszins hypocriet gezien worden, aangezien de grote groep nationalisten en Erdogan aanhangers nu juist graag, als bevestiging van hun gelijk, verwijst naar de Nederlandse regering, die immers ook niet (helder) van genocide spreekt. Kamerlid Kuzu bedankte tijdens het debat op 25 februari Minister Kaag dan ook voor het gebruik van het woord “kwestie”. Dit alles houdt vele Turkse Nederlanders, juist degenen die door opstelling en hun betrekkingen met Armeniërs werken aan verzoening van bevolkingsgroepen in Nederland, terecht angstig zijn en in de ban van bedreigingen, terwijl anderen zich noodgedwongen conformeren aan hetgeen de lange arm van Erdogan van ze vraagt. Ten koste van hun integratie.

Conclusie: In kader van integratie en democratie is wijziging van het beleid noodzakelijk

(e) (Meer) redenen om tot erkenning over te gaan
Dat Turkije ondanks het totale gebrek aan democratie en schending van mensenrechten een groot en belangrijk land is, waar ondanks alles rekening mee gehouden moet worden, valt niet te ontkennen. Juist op dit terrein – de grootste schending van mensenrechten, genocide en het onder ogen zien van deze geschiedenis – gaat het echter niet aan het hoofd te buigen en Turkije op zijn wenken te bedienen. Ook dat geeft voor de Turkse burgers een verkeerd signaal.

Turkse burgers voelen zich gesteund met onomwonden opstelling vanuit het buitenland jegens alle misstanden, waaronder de ontkenning van de genocide, waar zij zelf op dit moment in zo beperkte mate tegen kunnen vechten. Angst voor Turkse repercussies is een slechte raadgever en bovendien blijkt in de praktijk in andere landen waar ook erkenning plaatsvond, een en ander van tijdelijke aard, hetgeen mede in het licht van het huidige niveau van de contacten dient te worden bezien.

Internationaal gesproken is er geen land waar een constructie bestaat als “kwestie van Armeense genocide”; niet valt in te zien waarom Nederland dat wel doet en in andere landen, zoals België dit geschiedenisfeit normaal benoemd kan worden door de premier. De inmiddels gebruikelijke dreigementen van Turkije mogen niet de basis zijn voor de Nederlandse terughoudendheid.

Conclusie: De wetenschap dat met erkenning zowel steun wordt geboden aan de degenen in en buiten Turkije die uit zijn op verbetering als aan het Armeense volk, slachtoffers van genocide en 103 jaar ontkenning en mee te werken aan de aanvaarding van de geschiedenis zoals deze is, dient in besluitvorming voorop te staan.

Graag vernemen we uw reactie, uiteraard lichten wij ons standpunt graag toe in een gesprek.

Hoogachtend,

De Samenwerkende Armeense Organisaties